Agenda   |  
Zoeken
 
 

 Leden gebedskring bijeen in Utrecht 

19-4-2016   
In het weekend van Roepingenzondag
In Utrecht werd op 16 april de jaarlijkse ontmoetingsdag gehouden voor de leden van de diocesane Gebedskring voor roepingen. Tijdens de pontificale Eucharistieviering in de St. Catharinakathedraal met kardinaal Eijk als hoofdcelebrant werd André van der Steenstraeten aanvaard onder de kandidaten voor de diakenwijding en werden twee priesterstudenten (Henk van Hamersveld en br. Mauricio MCM) aangesteld tot acoliet.


Na de lunch gaf mgr. Woorts een met vele afbeeldingen ondersteunde lezing over ‘Passie en verheerlijking in de christelijke kunst’. Daarna gaven twee priesterstudenten een getuigenis van hun roeping – hun verhalen maakten veel indruk op de aanwezigen.



In zijn preek trok kardinaal Eijk een parallel tussen Jezus’ aanhangers van het eerste uur die Hem verlaten en de geloofsafval in de afgelopen decennia. Kardinaal Eijk: “Het drama dat leerlingen Jezus massaal de rug toekeren, voltrekt zich ook nu voor onze ogen. Sinds de jaren zestig verlieten katholieken massaal de Kerk. En dat gold ook voor velen onder hun herders en religieuzen. … Priesterschap en Eucharistie spraken hen niet meer aan. Met wat zij deden en uitdroegen, herhaalden zij daarmee feitelijk niet de woorden van de aanhangers van Jezus van het eerste uur: ‘Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?’ En priesters voor zover ze in het ambt en religieuzen voor zover ze in de orde of congregatie bleven, probeerden vaak de taal van de liturgie, met name in de viering van de Eucharistie, zodanig aan te passen, dat de in hun ogen afstotende aspecten ervan zoveel mogelijk werd geneutraliseerd.”

 

De Kerk draagt van deze crisis de ernstige consequenties, maar we mogen volgens kardinaal Eijk “te midden van dit alles de ogen niet sluiten voor enkele heel vreugdevolle tekenen.” Zo zijn er nog altijd roepingen tot het priesterschap, het diaconaat en het religieuze leven. “Dat is op zich een wonder, dat plaatsvindt mede omdat er veel voor gebeden wordt. Laten we dit vooral niet vergeten. De Gebedskringen in ons aartsbisdom hebben niet de aandacht van de media, maar verrichten in alle stilte en in de luwte van de samenleving hun belangrijke werk: bidden voor uiteenlopende intenties.”



Na de lunch maakten de aanwezigen een korte stadswandeling, die eindigde bij het Ariënsinstituut. Daar nam mgr. Woorts hen in woord en beeld mee naar de catacomben van Priscilla onder Rome, waar de eerste symbolen (anker, vis) van het christendom zijn te vinden. “De christelijke beeldtaal moest zich nog ontwikkelen,” aldus mgr. Woorts die op het Ariënsinstituut christelijke iconografie doceert. Aanvankelijk werd het kruis nooit los gezien van de opstanding; op de oudste afbeeldingen van Christus aan het kruis (uit ongeveer 420) is Christus als overwinnaar afgebeeld en wordt Zijn lijden geminimaliseerd.
Vanaf het jaar 970 werd het lijden van Christus steeds prominenter in de kunst en ook de emotie bij de omstanders werd steeds zichtbaarder. Vanaf de renaissance verminderde de nadruk op het lijden van Christus, terwijl in de daaropvolgende barok Christus zelfs “als een soort sportschooltype werd afgebeeld.” In het tweede deel van zijn ‘hoor- en kijkcollege’ behandelde mgr. Woorts de manieren waarop Christus’ verrijzenis in de loop der eeuwen werd verbeeld.



Tot besluit van de dag gaven twee priesterstudenten een getuigenis: Marko Bučić en Johan Rutgers, die op 11 juni door kardinaal Eijk tot transeunt diaken wordt gewijd. Marko Bučić vertelde uit een niet-praktiserend katholiek gezin te komen, waarin wel ontzag bestond voor God. Hij bezocht met zijn oma de kerk en was door die ervaring zozeer geraakt dat hij zich op 12-jarige leeftijd liet dopen. Vervolgens werd hij misdienaar en kreeg geregeld extra uitleg van de pastoor. “Langzaam groeide mijn priesterroeping, al is er soms ook twijfel. Ben ik het waardig? Roept God mij of roep ik mijzelf? Het is geen gemakkelijke weg,” benadrukte hij. Gesteund voelt hij zich echter onder andere door een ervaring tijdens de Katholieke Jongerendag, toen hij uit een mand met Bijbelcitaten uitgerekend deze van Jesaja trok: ‘Mijn dienstknecht zijt gij, die Ik uitverkoren heb en niet verworpen.’ “Toeval of niet, dit geeft me steun en kracht om door te gaan.”

 

Johan Rutgers deed in zijn jeugd weinig met het geloof. Dat veranderde toen hij op een keer de Mariakapel in Hengelo (Gld.) binnenliep. Bij de beeltenis van Maria van Altijddurende Bijstand gebeurde er iets: “Ik werd gerustgesteld, voelde me thuiskomen.” Hij bleef naar de Mis gaan, werd lector en viel soms in als misdienaar. Toen zijn moeder ernstig ziek werd, was de Mariakapel in Doetinchem zijn toevluchtsoord – “daar heb ik leren bidden.”
Hij woonde en studeerde destijds in Hengelo en voelde dat Jezus hem nabij was. Na overleg met zijn geestelijk begeleider meldde hij zich in 2008 bij de Utrechtse priesteropleiding. Ook hij kende echter soms twijfel, inmiddels was de aanwezigheid van God in zijn leven lang niet meer zo direct ervaarbaar. Teksten van onder anderen Meester Eckhart boden hem het juiste perspectief: “Ik hoef God niet altijd te ervaren, maar Hij is er.” Na afronding van zijn studie en twee stages staat Rutgers nu aan de vooravond van zijn diakenwijding. “Als ik iets heb geleerd, dan is het om de kracht van het gebed niet te onderschatten. Er zijn zoveel mensen die voor mij en mijn medestudenten bidden, dat heeft zeker meegeholpen dat ik ben waar ik nu ben. Hartelijk dank daarvoor.”
Na de afsluitende borrel gingen de Utrechtse priesterstudenten het bisdom in, om bij vieringen een getuigenis te geven bij gelegenheid van Roepingenzondag.

 

Terug